GEEL (3)

2020 01 21

Mist. Als ik naar buiten kijk zie ik achter het raam helemaal niks. De wereld houdt op buiten ons huis. Geen passanten, geen verkeer, geen geluid. 50 Meter zicht hebben we slechts. Nauwelijks verder dan onze neus lang is.

Met deernis denk ik aan allen die nu de weg op moeten, terwijl het KNMI ‘code geel’ heeft afgegeven. Of aan degenen die vruchteloos wachten op perrons of vluchthavens. Maar ik persoonlijk heb de luxe van een veilig en behaaglijk gevoel. De pensioenleeftijd maakt dat mogelijk, omdat er geen verplichtingen buitenshuis zijn. 

Voor mij is de wereld niet geel. Ze is dof, getroebleerd, en van een poëtisch wit.

Dat ik niet de enige ben die deze sfeer als poëzie ervaart, bewijst de literatuur. Daarin vind ik mooie teksten over deze minuscule waterdruppeltjes die ons vandaag massaal kortzichtig maken:

En dan verzinkt

alles in ’t wijde
vaal uitgespreide
voor ons gezicht.
De mist, al-nauwer,
dan bleek, dan grauwer
klemt om ons dicht. (Jan Prins)

Geplaatst in buiten, leeftijd, literatuur, poëzie, seizoenen | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

CANTATE 60

2020 01 20

Op deze grijze dag zal het vanavond om twintig over acht 2020-01-20-20.20 uur zijn.

Daar word je stil van.

Stil ben ik momenteel sowieso, nu onverklaarbare duizelingen mij elke activiteit beletten. Dus lees ik, met mijn tollende hoofd in een voorzichtige stand, het boek over Bach van Maarten ’t Hart.

Hij bespreekt in het derde hoofdstuk de relatie van Bach met de Dood, nadat hij binnen enkele jaren maar liefst zeven kinderen verloor. Ook in die vroege achttiende eeuw was het verliezen van een kind ongetwijfeld niet minder smartelijk dan nu. Bach moet deze ondraaglijke wanhoop dus zevenvoudig gevoeld hebben.

En toen schreef hij zijn Cantate 60. Titel: ‘O Ewigkeit, Du Donnerwort’. 

Vandaag heb ik -noodgedwongen- de tijd om in ruim een kwartier dat Donnerwort tot mij te nemen. Ik heb het meerdere malen tot mij laten spreken. Want een in-actieve ochtend telt vele kwartieren.

En nu ben ik nog stiller dan dat ik het door die duizelingen ben.

Meteen bij de eerste globale kennismaking ermee werd ik al getroffen door harmonische en melodische opmerkelijkheden, die vragen in mij opriepen. Ik vond een tekstvertaling plus muzikale analyse van Eduard van Hengel. Met deze informatie erbij beluisterde ik stuk voor stuk nogmaals de vijf korte delen van dit intrigerende werk. Het is een doorlopende mentale worsteling van de altzanger(es), die steeds weer gekalmeerd en getroost wordt door ofwel de tenor (‘Hoffnung’) of zelfs door Christus zelf (de baszanger). Het geheel bestaat feitelijk uit dialogen, met alleen het slotkoraal als vierstemmige koorzang.

Dankzij die verhelderende tekst met notenvoorbeelden van van Hengel zag en hoorde ik de betekenis van niet-alledaagse momenten in de melodieën en akkoorden. Bach moet wel heel bijzonder door de betreffende teksten geïnspireerd zijn geraakt. En al moet men hier geen prachtige aria’s verwachten zoals bijvoorbeeld ‘Erbarme Dich’ in de Matthaeus Passion, deze Cantate 60 velt de luisteraar bij aandachtig luisteren neer. Wie, zoals Bach in zijn treurige jaren, de meedogenloosheid van zijn Schepper moet ervaren, ontvangt uiteindelijk een sprankje hoop. Een schuchtere, kwetsbare zonnestraal breekt door de grijze mist. Het slotkoor eindigt met het berustende woord ‘Genug’ in een vredige majeurdrieklank. En drieklank waar je duizelingen van gaan stoppen. 

Geplaatst in Bach, compositie, gezondheid, klassieke muziek, lezen/literatuur | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

DIRIGENTE

2020 01 19

Het komt bijna nooit voor dat we heel de zondag thuis zijn en kunnen doen en laten wat we willen.

Vandaag echter is het zo’n unieke dag. We zijn die heerlijk lui gestart met het luisteren naar eerst ‘Vroege Vogels’, waarin men bezorgd aandacht gaf aan het verdwijnen van veel insecten. Dat is te wijten aan o.a. het verwijderen van ‘randjes’ langs akkers, het kort scheren van bloeiende bermen, en het grootscheeps verwijderen van struiken. Ik weet er alles van. En het was zorgwekkend, te horen vertellen hoe alles met alles samenhangt in de natuur. Het ‘ecologische systeem’ werd door de mens zelf onderbroken, met alle gevreesde gevolgen vandien.

Daarna was het tijd voor het radioprogramma ’Spiegelzaal’, waarin ook Mozart weer even naar me kwam zwaaien, die werd opgevolgd door het Zondagochtendconcert. 

In de Grote Zaal van ons mooie Concertgebouw speelde het Nederlands Philharmonisch Orkest een aantrekkelijk programma met muziek van Antonín Dvorák en van Tsjaikovski. Zoals wel vaker was deze radio uitzending bovendien visueel beschikbaar via een webcam (heet dat nog zo?). Op de bok stond de nog jonge Chinese Elim Chan. Jawel, een vrouw!

Wat schuilt er een wereld van verschil in die laatste letter van het woord ‘dirigente.’

Terwijl ik het waardeer dat in de benaming van dit beroep nog onderscheid wordt gemaakt tussen een man en een vrouw, valt het mij tegelijkertijd op hoezeer getracht wordt om dat verschil te verdoezelen. Ik voel mij ongemakkelijk, ja ik vind het bijna stuitend dat de vrouw in kwestie in mannenkledij verschijnt. Let wel: in SAAIE mannenkledij. Geen sprake van naaldhakken, een gracieuze lange rok of andere accessoires waar vrouwen dol op zijn. Je kunt immers als vrouw best sexy ogen met subtiele accentjes, die jou met het vrouwelijke laten contrasteren in mannenkledij. Dat zou ik spannend vinden.

Ook de dirigeertechniek van een vrouw zou voor mij mogen afwijken van die van een man. Niet verdoezelen dat je een vrouw bent, maar welgemoed de tegenstellingen benutten, dat vind ik pas een teken van emancipatie.

Geamuseerd denk ik terug aan de Maestro-wedstrijd hier in het dorp. Met humor werd daar de tegenstelling tot in extremen opgevoerd: een vrouwelijke dirigente als Keizerin Sissy in hoepelrok en met roesjes en tierelantijnen, terwijl een dirigerende man de macho-kant heerlijk overdreef door als toreador verkleed zijn werk te doen.

Zó hoeft het natuurlijk niet van mij. Maar een beetje show mag best in het dirigentenberoep. Nu echter was die dappere Elim Chan nauwelijks zichtbaar door de kleur zwart van haar kleren en haren. Dat zwart loste op in het plechtige zwart van haar omgeving. Dat vond ik teveel bescheidenheid voor wat zij in het orkest teweeg bracht. Als 33-jarige voerde zij namelijk de twee oude meesters vorstelijk bij ons binnen. Dat deed ze trefzeker, pittig, met allure. Wat mij betreft heeft zij die laatste letter van het woord ‘dirigente’ niet beschaamd. 

Echter, een volgende keer laat ik die webcam toch maar voor wat die is. Ik sluit mijn ogen, en ik ga van het klinkend resultaat genieten.

Geplaatst in concert, klassieke muziek, orkest, positie van de VROUW | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

LYRISCHE STÜCKE

2020 01 18

Net als in juni 1968 klinken hier nog altijd de Lyrische Stücke van Edvard Grieg door de kamer. Zoals ook vandaag weer speelde mijn lief ze voor me vlak na het romantisch begin van onze relatie. Hij floot er een na de geboorte van onze eerste zoon, en nog altijd begeleidt Grieg mij liefdevol via de ijverige pianohanden van mijn schat.

66 Stukken voor solopiano componeerde deze Noorse componist, die precies honderd jaar voor mijn wederhelft geboren werd. In Romantiek doet hij niet onder voor Chopin, en de uitstraling van zijn oeuvre is altijd vriendelijk, zonnig. Wat zou ik graag eens een kijkje nemen in Bergen, de geboorte- en sterfplaats van deze componist! Want bij het luisteren zie ik duidelijke landschappen voor me, en ruik ik de lucht van oorden waar ik nog nooit geweest ben. 

Maar het hoeft niet. In een afgesloten kokertje bewaren wij hier in huis wat aarde uit de tuin van zijn villa Troldhaugen. Een vriend nam die voor ons mee. Zo heeft Edvard Grieg hier bij ons een eigen plek, met dat beetje aarde, met het roze pianoboek, en in de goede handen van mijn volhardende pianist.

Geplaatst in compositie, herinnering, klassieke muziek | Tags: , , , , | 1 reactie

ALS ALLES HET NOG DOET

2020 01 17

Als je met gezonde trek en na een frisse fietstocht als genodigde aan tafel verschijnt dan is een ontvangst met deze fleurige uitstraling meteen veelbelovend.

Ze zou weer gaan koken, onze gastvrouw. En of we maar wilden inschrijven.

Met veertien mensen schoven we aan. Het hartvormige schoolbord kondigde ‘Frittata muffin’ aan als voorgerecht. Dat blijkt een soort mini-groentetaartje te zijn, helemaal spekje voor mijn bekje. Het lag gecombineerd met een heerlijke soepele rauwkostsalade op mijn bord, en mijn avond kon al niet meer stuk. Een Tajine Kipfilet of een Tajine garnalen naar keuze volgde, met een ruige schotel Bulgur erbij. 

Al gauw verstomden de veertien stemmen, en er klonk nog slechts het getinkel van bestek, afgewisseld met af en toe een ‘Mmmmm… LEKKER’. Later kwamen de tongen weer los, en klonken er verhalen over de voorbije feestdagen, over aandoeningen en doorstane ziektes, over kinderen en kleinkinderen, en over recente films. 

Bij eten is het net als met wandelen: ongedwongen kom je elkaar nader in gesprekken, terwijl je ogenschijnlijk met iets anders bezig bent. Je blik is niet of nauwelijks op je gesprekspartner gericht, en toch heb je al converserend intens met elkaar te maken.

De clubjes waarbij we aangesloten zijn hebben bijna alle ditzelfde effect. Je volgt je hobby -wandelen, film kijken, schilderen, eten, muziek luisteren – en je voelt je opgenomen in de warmte van een vriendenkring. Je hoeft slechts je oren en ogen te gebruiken. Laten we hopen dat die onderdelen, plus de tong, de benen, handen en hersenen, nog lang naar believen blijven functioneren!

Geplaatst in conversatie, maaltijd, recepten/maaltijden, vereniging/club, vriendschap | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

UN MOMENTO DADO

2020 01 16

Wat de link is tussen klassieke muziek en Johan Cruijff ontgaat me. Gisteravond namelijk beluisterde ik de premiėre-uitzending van een nieuwe compositie die Johan de Meij schreef als ‘hommage aan Johan Cruijff. Titel: ‘UN MOMENTO DADO’. Dat is een citaat van Cruijff, die zich aldus uitdrukte achter de microfoon, ooit, bij zijn inauguratie als bondscoach in Barcelona. Hij bedoelde simpelweg ‘op een gegeven moment’. Maar in het Spaans betekent ‘dado’ dat er sprake is van goddelijke interventie.

Het lijkt me een commerciële handigheid van componist De Meij dat hij zelf die link creëerde door a) dit citaat als titel te gebruiken voor zijn nieuwe werk, en b) door als melodisch motief de noten te hanteren die ontleend zijn aan de naam van het uitmuntend riet-kwintet CALEFAX, dat samen met de Koninklijke Militaire Kapel deze compositie in Tilburg uitvoerde. Twee vliegen in een klap. 

Nog meer citaten hoorde ik, namelijk een aria van Johan Sebastiaan Bach (wat een Johans!!) en Richard Strauss. 

Is zo’n citaat een pré? Of kan men het zien als een arrangement van wat eigenlijk plagiaat is?

‘Un momento dado’ heeft de vorm van een Concerto Grosso. De vijf rietblazers hebben een prominent aandeel, en de KMK vertegenwoordigde het ’grote orkest’ daarbij. Er werd op hoog niveau en virtuoos gemusiceerd, en in dit werk is veel afwisseling, die dwingt tot luisteren. Er waren gisteravond dus meerdere momentos dados. 

Maar de echte van God gegeven momenten onderging ik vanochtend op mijn zonnige wandeling, bij het zien van ontkiemend nieuw leven, van gefilterd tegenlicht. Bij het aanhoren van nu al veel vogelzang, en het roffelen van een specht. Ik liep, ik keek, ik snoof en ik luisterde. De link tussen seizoenen en een beroemde voetballer ontgaat me. Maar voor deze ervaringen vanochtend gebruik ik graag zijn citaat.

Geplaatst in compositie, historie, klassieke muziek, lente, muziekinstrument, orkest, radio | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

ZICHTBARE HERINNERING

2020 01 15

Zomaar een bankje in het bos. Het is het herkenningspunt voor een kruispunt van paden dat daar op volgt, links-boven op deze foto. Daar, op dat kruispunt, kwamen we ooit een oude bekende tegen die we al heel lang niet meer gezien hadden. En het bleek ook de laatste keer te zijn. Niet lang na die ontmoeting vernamen we dat hij overleden was. Sindsdien wordt altijd wanneer we dit bankje passeren zijn naam hardop uitgesproken.

Zoals ook, bij Vianen, altijd een van de oma’s in mijn schoonfamilie geciteerd wordt. Er werd in de familie verteld dat zij op alle autoritten naar het kerkje wees dat daar nog steeds vanaf de snelweg te zien is. Ze wees ernaar en zei: ‘Het witte kerkje…’ Vianen betekent dat ook wij het nooit meer vergeten om diezelfde drie woorden uit te spreken. En dan is oma in onze gedachten.

Er zijn veel van dit soort plekken. Op een van onze wandelpaden zagen we ooit een al half-ontbonden dood konijn liggen. Wanneer we, nu, langs die plek lopen zegt een van ons twee: ‘Dat arme konijntje’. 

Hoe het komt dat sommige plekken zich in ons hoofd hebben vastgezet die bij specifieke gebeurtenissen horen, begrijp ik niet. Maar het bestaat. En zo kom ik nu op mijn onderwerp: met een graf heb ik weinig affectie om die reden. De gedachtenis aan een dierbare wordt in mij niet helderder als ik aan zijn graf sta. Een graf heeft minder met deze persoon te maken dan bijvoorbeeld dat eenzame bankje in het bos, waar steevast de naam van die oude kennis wordt uitgesproken.

Zo denk ik altijd aan mijn vader, in de bocht van het bospad waar de rolstoel zó deerlijk hobbelde dat hij er bijna uitviel. We hadden allemaal de slappe lach. Die bocht is geen trieste herinnering. Mijn vader leeft al 26 jaar niet meer, maar hier bij die bocht vind ik hem glimlachend terug. Daar heb ik geen zichtbaar monument voor nodig.

Evenmin een monument staat er op de modderpoel aan de rand van de akker waar ik ooit met mijn moeder -pas net weduwe- liep. Ze zakte tot over haar enkels die modder in, en ook zij stond te gieren van het lachen, vastgezogen in de bruine drab. Ik vind haar daar terug, dapper, vrolijk, en zonder pijn.

Wel pijn doet nog de afslag naar de snelweg richting Noorden, waar ik wekelijks afscheid nam van mijn nu overleden zusje. Zij was samen met mij lid van de Koppenclub en reed wekelijks gelijktijdig met mij terug naar huis. Bij die afslag stonden we vaak toevalligerwijze in onze auto’s naast elkaar. Voor zij linksaf sloeg claxonneerde ze kort en wierp een kushand. Op deze plek zweeft zij nog rond en daar breekt mijn hart. Ze had niet mogen gaan, zij was jonger dan ik.

Er zijn meer oorden waar ik zowel aan mijn moeder denk alsook aan mijn zusje. Ik hoef ze niet allemaal op te noemen. Het is fijn dat die oorden er zijn. Ik kan ernaartoe wanneer ik wil, en dan groet ik ze, mijn overleden dierbaren. Een kerkhof heb ik voor hun nagedachtenis niet nodig. Het zijn onze herinneringen die tellen, en die zo’n specifieke plek tot een monument maken.

Zoals dat bankje.

Geplaatst in dodenherdenking, dood, herinnering, moeder, vader, zus | Tags: , , , , , , , , , , | 6 reacties